HET OORDEEL:


Jeugddwaasheid heeft welslagen.
Niet ik zoek de jonge dwaas,
De jonge dwaas zoekt mij.
Bij het eerste orakel geef ik antwoord.
Twee-, driemaal vragen is lastig vallen.
Wie mij lastig valt geef ik geen antwoord.
Bevorderlijk is standvastigheid.


In de jeugd is dwaasheid niet erg - men kan desondanks slagen. Men moet alleen een ervaren leraar weten te vinden en hem op de juiste wijze tegemoet treden. Dit betekent in de eerste plaats dat de jeugdige dwaas zich bewust moet zijn van zijn gebrek aan ervaring en een leraar moet raadplegen. Indien hij deze bescheidenheid en deze belangstelling mist is er geen waarborg dat hij zijn leraar met de nodige eerbied en bescheidenheid tegemoet treedt en ontvankelijk zal zijn voor diens lessen.
Daarom moet de leraar wachten tot men hem opzoekt en zich niet uit eigen beweging aanbieden: alleen zó; zal hij zijn lessen op de juiste tijd en op de juiste wijze kunnen geven.
Het antwoord dat de leraar op de vragen van de leerling geeft moet duidelijk en beslist zijn, evenals het antwoord dat men van een orakel wenst te ontvangen. Het moet dan worden aanvaard als een positieve beslissing, die een eind maakt aan alle twijfel. Wantrouwend of gedachteloos verder vragen is niet anders dan de leraar lastig vallen, en deze kan er dan maar beter het zwijgen toe doen, gelijk het orakel ook slechts één antwoord geeft en niet reageert op experimentele vragen van een twijfelaar.
Als hierbij nog de volharding komt, die niet rust voor men de lering punt voor punt in zich opgenomen heeft, kan men zeker zijn van een goed resultaat. Het teken bevat dus raadgevingen zowel voor de leerling als voor de leraar.