HET BEELD:


De wind waait over het water: het beeld van de Oplossing.
Zo offerden de oude koningen aan hun Heer
En bouwden zij tempels.


Het water begint in de herfst en de winter te verstarren en tot ijs te bevriezen. Als de milde lentewinden komen, verdwijnt de verstarring weer, en het in ijsschotsen verstrooide verenigt zich weer. Zo is het ook met de geest van het volk. Door hardheid en zelfzucht verstart het hart, en in deze verstarring zondert het zich af van al het andere. Egoïsme en hebzucht isoleren de mensen. Daarom moet een vrome ontroering zich meester maken van hun harten. Ze moeten worden verlost door een huivering van ontzag in het aangezicht van de Eeuwigheid, die hun als in een bliksemflits een intuïtief begrip geeft van de Enige Schepper van alle levende wezens en hen verenigt door de macht der gemeenschapsgevoelens bij de heilige plechtigheid van de aanbidding van het goddelijke.