HET OORDEEL:


De Waterput.
Men kan wel de stad verleggen,
Maar de waterput niet.
Hij neemt niet af en neemt niet toe.
Zij komen en gaan en scheppen uit de waterput.
Als men het welwater bijna heeft bereikt,
Maar het touw net niet lang genoeg is,
Of als de kruik breekt, dan brengt dat ongeluk.


De hoofdsteden werden in het oude China soms verlegd, hetzij ter wille van een gunstiger ligging, hetzij bij de wisseling der dynastieën. De bouwstijl wisselde in de loop der eeuwen, maar de vorm van de waterput is vanaf oeroude tijden tot op de huidige dag dezelfde gebleven. Zo is de waterput het symbool van de maatschappelijke organisatie der mensheid in haar meest primitieve levensbehoeften, die onafhankelijk is van de politiek. De politieke structuur wisselt, de naties wisselen, maar het leven der mensen met zijn levenseisen blijft eeuwig hetzelfde. Daaraan valt niets te veranderen. Dat leven is ook onuitputtelijk. Het neemt toe noch af, en is er voor iedereen. Geslachten komen en gaan, en zij allen genieten het leven in zijn onuitputtelijke volheid.
Voor een goede staatkundige of maatschappelijke organisatie van de mensheid zijn echter twee dingen nodig. Ten eerste het afdalen tot de grondslagen van het leven. Alle oppervlakkigheid in de ordening van het leven, die de diepste levensbehoeften onbevredigd laat, is even onvolkomen als had men in het geheel geen pogingen tot ordening in het werk gesteld. Vervolgens is onachtzaamheid - waardoor de kruik breekt - uit den boze. Als bijvoorbeeld de militaire bescherming van een staat zozeer wordt overdreven dat er oorlogen door ontstaan waardoor de macht van de staat wordt vernietigd, dan staat dat gelijk met het 'breken van de kruik'. Ook op de enkeling is het hexagram van toepassing. Hoe verschillend de aanleg en de ontwikkeling der mensen ook mag zijn, de menselijke natuur is au fond bij iedereen hetzelfde. En ieder mens kan bij zijn vorming putten uit de oneindig rijke bron van de goddelijke natuur van het menselijk wezen. Maar ook hier dreigen twee gevaren: het kan zijn dat men bij zijn karaktervorming niet doordringt tot de eigenlijke wortel van het mensdom, maar in conventie blijft steken - zulk een halve beschaving is even erg als in het geheel geen - òf dat men plotseling ineenstort en de vorming van zijn karakter verder verwaarloost.