Voorwoord.
Aangezien ik geen sinoloog ben, moet een voorwoord voor het
Boek der Veranderingen van mijn hand getuigenis afleggen van mijn
persoonlijke ervaring met dit groot en merkwaardig werk. Het geeft
mij tevens een welkome gelegenheid, nog eens een welverdiende
hulde te brengen aan de nagedachtenis van wijlen mijn vriend,
Richard Wilhelm. Hij zelf was zich ten volle bewust van de culturele
betekenis van zijn vertaling van de I Tjing, een in het Westen
ongeëvenaarde vertaling.
Als de betekenis van het Boek der Veranderingen gemakkelijk te
vatten was, zou dit werk geen voorwoord nodig hebben. Dit is echter
geenszins het geval, want er is zoveel duisters in, dat sommige
Westerse geleerden de neiging vertoonden om het boek als een verzameling
'toverformules' te beschouwen, die òf te diepzinnig waren
voor het menselijk intellect, òf in het geheel geen betekenis
hadden. Legge's vertaling van de I Tjing, tot dusverre de enige
in het Engels verschenen vertaling, heeft er weinig toe bijgedragen
het werk toegankelijk te maken voor de Westerse geest. Wilhelm
daarentegen heeft alles in het werk gesteld om ons de symboliek
van de tekst begrijpelijk te maken. Hij kon dit doen, omdat hijzelf
was onderricht in de philosophie en het gebruik van de I Tjing
door de eerbiedwaardige wijze Lau Nai Siuan; bovendien had hij
gedurende talrijke jaren de merkwaardige orakel-techniek in practijk
gebracht. Dit stelde hem in staat in zijn versie van de I Tjing
de levende zin van de tekst veel beter naar voren te brengen,
dan iemand, die uitsluitend was toegerust met de academische kennis
van de Chinese philosophie, dit had vermogen te doen.
Ik ben Wilhelm tot grote dank verplicht, niet alleen voor het
licht, dat hij op het ingewikkelde probleem van de I Tjing heeft
doen vallen, doch vooral ook voor het inzicht dat hij mij heeft
gegeven in de practische toepassing ervan. Gedurende meer dan
dertig jaar heb ik mij nu al bezig gehouden met deze orakeltechniek,
of methode om het onbewuste te verkennen, die mij ongemeen belangrijk
voorkwam. Ik was reeds vrij vertrouwd met de I Tjing toen ik Wilhelm
in het begin der twintiger jaren voor de eerste maal ontmoette;
hij bevestigde mij wat ik al jaren wist, en leerde mij nog vele
andere dingen.
Ik ken geen Chinees en ben nooit in China geweest. Ik kan mijn
lezers verzekeren, dat het in het geheel niet gemakkelijk is,
het juiste inzicht te krijgen in dit monument van de Chinese gedachtenwereld,
die zo volslagen verschilt van onze denkwijze. Om te kunnen begrijpen
waar het bij zulk een boek om gaat, is het beslist noodzakelijk
bepaalde vooroordelen van de Westerse geest overboord te gooien.
Het is merkwaardig, dat zulk een begaafd en intelligent volk als
de Chinezen nooit een, wat wij noemen 'wetenschap' heeft ontwikkeld.
Onze wetenschap evenwel is gebaseerd op het causaliteits-principe,
en causaliteit wordt beschouwd als een axiomatische waarheid.
Een geheel andere zienswijze begint zich echter reeds baan te
breken. Wat Kant's KRITIK DER REINEN VERNUNFT niet vermocht te
doen, is door de moderne natuurkunde tot stand gebracht. Het axioma
van de causaliteit begint te wankelen op zijn grondvesten: wij
weten thans, dat wat wij natuurwetten noemen slechts statistische
waarheden zijn, die derhalve noodzakelijkerwijze ruimte openlaten
voor uitzonderingen. Wij hebben niet voldoende rekening gehouden
met de omstandigheid, dat we het laboratorium met zijn insnijdende
restricties nodig hebben om de onveranderlijke geldigheid van
een natuurwet te demonstreren. Als wij de dingen aan de natuur
overlaten, zien we een geheel ander beeld: elk proces wordt geheel
of gedeeltelijk doorkruist door het toeval, zodat het onder natuurlijke
omstandigheden bijna een uitzondering is, wanneer de gebeurtenissen
zich in volkomen overeenstemming met de speciale wetten voltrekken.
De Chinese mentaliteit, zoals ik deze aan het werk zie in de I
Tjing, schijnt zich echter uitsluitend bezig te houden met het
toevals-aspect der gebeurtenissen. Wat wij toeval noemen, schijnt
de bijzondere belangstelling op te wekken van deze merkwaardige
geest, terwijl er aan wat wij als causaliteit vereren, bijna geen
aandacht wordt geschonken. Wij moeten toegeven, dat er iets te
zeggen valt voor de enorme betekenis van het toeval. Een onberekenbare
hoeveelheid menselijke energie is gericht op het bestrijden en
beperken van het nadeel of het gevaar, dat door het toeval wordt
vertegenwoordigd. Theoretische beschouwingen over oorzaak en gevolg
lijken dikwijls bleek en stoffig in vergelijking met het practische
resultaat van het toeval. Het is goed en wel te zeggen, dat het
kwartskristal een hexagonaal prisma is. Het is volkomen waar,
zolang men een ideÎel kristal op het oog heeft. Maar in
de natuur vindt men geen twee kristallen, die volkomen gelijk
aan elkaar zijn, hoewel ze allen onmiskenbaar hexagonaal zijn.
Hun reëele vorm nu, schijnt de Chinese geleerde meer te interesseren
dan de ideële. Het mengelmoes van natuurwetten, dat samen
de empirische realiteit vormt, heeft meer betekenis voor hem dan
een causale verklaring van gebeurtenissen, die bovendien als regel
nauwkeurig van elkaar gescheiden dienen te worden, wil men ze
op de juiste wijze kunnen waarderen.
De wijze waarop de I Tjing geneigd is de realiteit onder ogen
te zien, schijnt niet veel op te hebben met onze causalistische
procedures. Het ogenblik, dat momenteel onder observatie staat,
is volgens het oude Chinese standpunt meer een toevallige constellatie,
dan een scherp omlijnd resultaat van een causaal samenhangende
keten van gebeurtenissen. De belangstelling schijnt uit te gaan
naar de configuratie, die op het moment van de observatie door
toevallige gebeurtenissen wordt gevormd, en niet naar al de hypothetische
redenen, die ogenschijnlijk die samenloop verklaren. Terwijl de
Westelijke mentaliteit zorgvuldig schift, afweegt, uitkiest, classificeert,
isoleert, omvat het Chinese beeld van het moment elke bijzonderheid,
tot in het kleinste, absurdste detail, daar al deze ingrediÎnten
tezamen het geobserveerde moment vormen.
Zo komt het, dat wanneer we de drie munten opgooien, of de negenenveertig
duizendbladstelen doortellen, deze toevalsdetails deel uit zullen
maken van het beeld op het moment van de observatie - een deel,
dat ons onbelangrijk schijnt, doch in Chinese ogen van het grootste
belang is. Bij ons zou de bewering, dat wat er ook op een gegeven
ogenblik gebeurt, onvermijdelijk de aan dit moment eigen hoedanigheid
bezit, een banale en bijna zinloze opmerking zijn (oppervlakkig
beschouwd, tenminste). Dit is geen abstractie, maar een bij uitstek
practische argumentatie. Er zijn bepaalde experts, die alleen
uit het uiterlijk, de smaak en het gedrag van een wijn weten af
te leiden waar hij vandaan komt, en van welke jaargang hij is.
Er zijn antiquairs, die met een bijna angstwekkende nauwkeurigheid
de naam, de plaats van herkomst en de maker van een 'object d'art'
of een meubelstuk weten te noemen, door er alleen maar naar te
kijken. Er zijn zelfs astrologen, die U kunnen vertellen, zonder
enige voorafgaande kennis omtrent Uw geboorte, hoe de positie
van de zon en van de maan was, en welk teken van de dierenriem
boven de horizon verrees op het moment van Uw geboorte. Dergelijke
feiten in aanmerking nemende, moet men wel toegeven, dat momenten
langdurige sporen kunnen achterlaten.
Met andere woorden: wie ook de uitvinder geweest mag zijn van
de I Tjing, hij was ervan overtuigd, dat het hexagram, dat op
een gegeven moment werd gevormd, hiermee niet alleen in tijd,
maar ook in hoedanigheid samenviel. Voor hem was het hexagram
de weergave van het moment, waarin het geworpen werd - meer nog
dan de wijzers van de klok of een kalenderdatum dit kon zijn -
in zoverre men het hexagram beschouwde als de indicateur van de
essentiÎle situatie, zoals deze was op het moment, dat het
ontstond. Deze opvatting hangt samen met een bepaald merkwaardig
principe, dat ik synchroniciteit genoemd heb, een begrip
dat een standpunt formuleert, dat lijnrecht het tegenovergestelde
is van dat van de causaliteit. Aangezien dit laatste alleen een
statistische waarheid is en geen absolute, is het een soort werkhypothese
hoe de gebeurtenissen uit elkaar voortkomen, terwijl de synchroniciteit
de coöncidentie van gebeurtenissen in tijd en ruimte niet
als louter toeval beschouwt, doch er een diepere betekenis aan
toekent: namelijk deze, dat er een bijzondere onderlinge samenhang
bestaat, zowel tussen de objectieve gebeurtenissen onder elkaar
als tussen deze en de subjectieve (psychische) situaties van de
waarnemer of de waarnemers.
De oude Chinese mentaliteit beschouwd de cosmos op een wijze,
die men zou kunnen vergelijken met die van de moderne natuurkundige,
die niet kan ontkennen, dat zijn model van de wereld een gedecideerd
psycho-physische structuur is. De microphysische uitslag sluit
evenzeer de waarnemer in, als de realiteit, die aan de I Tjing
ten grondslag ligt, de subjectieve (d.w.z. psychische) situaties
in de totaliteit van de onderhavige situatie betrekt. Zoals de
causaliteit de opeenvolging der gebeurtenissen verklaart, zo verklaart
de synchroniciteit voor de Chinese mentaliteit het samenvallen
der gebeurtenissen. Het causale gezichtspunt vertelt ons een dramatisch
verhaal, hoe D in de wereld kwam: het stamde af van C, dat vóór
D bestond, en C had op zijn beurt een vader, B, enz. Het synchronistisch
gezichtspunt daarentegen tracht een even zinvol beeld te geven
van coöncidentie. Hoe komt het, dat A',B',C',D', alle op
hetzelfde moment en op de zelfde plaats in verschijning treden?
Dit komt in de eerste plaats doordat de physieke gebeurtenissen
A' en B' van dezelfde hoedanigheid zijn als de psychische gebeurtenissen
C' en D', en verder omdat ze alle exponenten zijn van ÈÈn
en dezelfde situatie. Die situatie wordt verondersteld een leesbaar
of begrijpelijk beeld te zijn.
Nu zijn de vierenzestig hexagrammen van de I Tjing het instrument
waardoor de betekenis van vierenzestig verschillende, nochtans
typische situaties kunnen worden bepaald. Deze interpretaties
zijn equivalent aan causale verklaringen. Causaal verband is sttistisch
noodzakelijk en kan dus worden onderworpen aan een experiment.
Daar een situatie echter uniek en niet herhaald kan worden, lijkt
het onder normale omstandigheden onmogelijk, met synchroniciteit
te experimenteren. In de I Tjing is het enige criterium voor de
geldigheid van deze laatste hypothese gelegen in de opinie van
de waarnemer, dat de tekst van het hexagram zijn psychische situatie
werkelijk getrouw weergeeft. Men neemt aan, dat de val van de
munten of de verdeling van het bundeltje duizendbladstelen juist
zo uitvalt, als in een gegeven 'situatie' noodzakelijk het geval
moet zijn, aangezien het evenals alles, wat op dat moment gebeurt
er toe behoort als een onmisbaar deel van het beeld. Als men een
handvol lucifers op de grond gooit, vormen ze de voor dat moment
karakteristieke tekening. Maar zulk een voor de hand liggende
waarheid als deze openbaart zijn zinvolle betekenis eerst, wanneer
het mogelijk is de tekening te lezen en de interpretatie ervan
te controleren, enerzijds door de bekendheid van de waarnemer
met subjectieve en de objectieve situatie, anderzijds door de
bevestiging ervan door de erop volgende gebeurtenissen. Het ligt
voor de hand dat een critische geest, die gewend is aan experimenteel
onderzoek der feiten of aan feitelijke bewijzen, voor een dergelijk
procédé weinig zal voelen. Maar voor iemand, die
de wereld graag eens uit dezelfde gezichtshoek wil bekijken als
het oude China, zal in de I Tjing wellicht iets aantrekkelijks
hebben.
De boven uiteengezette argumentatie is natuurlijk nooit opgekomen
in een Chinees brein. Verre van dat: volgens de oude traditie
zijn het 'geestelijke krachten', die op mysterieuze wijze hun
invloed doen gelden, en aldus bewerken, dat de duizenbladstelen
een zinvol antwoord geven. Deze krachten vormen als het ware de
levende ziel van het boek. Waar dit laatste dus een soort van
bezield wezen is, kan men volgens de traditie ook vragen stellen
aan de I Tjing en mag men verwachten een verstandig antwoord te
krijgen. Zo kwam de gedachte bij mij op, dat het voor de oningewijde
lezer wellicht interessant zou zijn de I Tjing aan het werk te
zien. Voor dat doel maakte ik een experiment, strikt in overeenstemming
met de Chinese opvatting: ik personifieerde het boek in zekere
zin, en vroeg zijn oordeel over zijn actuele situatie, d.w.z.
over mijn voornemen het te introduceren in de Westerse wereld.
Hoewel dit procédé volkomen past in de geestelijke
sfeer van de Tauïstische philosophie, komt het ons buitengewoon
vreemd voor. Ik moet echter eerlijk bekennen, dat ook de vreemdste
waanvoorstellingen van krankzinnigen of de sterkste staaltjes
van primitief bijgeloof mij nooit aanstoot hebben gegeven. Ik
heb altijd getracht, onbevooroordeeld en nieuwsgierig te blijven
- rerum novarum cupidus. Waarom zou ik geen dialoog wagen
met een oud boek, dat voorgeeft bezield te zijn? Daar kan geen
kwaad bij zijn, en zo krijgt de lezer de gelegenheid, een psychologisch
procédé gade te slaan, dat in vele duizenden jaren
van Chinese beschaving oneindige malen werd toegepast, en dat
voor een Confusius en een Lau-tse zowel de opperste geestelijke
autoriteit als een philosophisch raadsel beduidde. Ik maakte gebruik
van de munten-methode, en het antwoord, dat ik kreeg, was het
hexagram nr. 50; Ting, de Spijspot.
In overeenstemming met de wijze, waarop mijn vraag was geformuleerd,
moet de tekst van het hexagram worden beschouwd, alsof de I Tjing
zelf de sprekende persoon was. Het beschrijft zichzelf dus als
een spijspot, dat wil zeggen als een ritueel vat, dat gekookte
spijzen bevat. Die spijzen moeten hier worden verstaan als geestelijk
voedsel. Wilhelm zegt hierover: 'De ting is een gebruiksvoorwerp,
dat tot een verfijnde beschaving behoort, en suggereert dus de
verzorging en voeding van bekwame mannen, hetgeen ten goede komt
aan het welzijn van de staat... Wij zien hier hoe de beschaving
zijn hoogtepunt bereikt in de religie. De ting dient tot aanbieden
van het offer aan God... De opperste openbaring van God komt tot
ons door profeten en heiligen. Hen te vereren is de ware godsverering.
De wil van God, zoals die door hen wordt geopenbaard, dient in
nederigheid te worden aanvaard.'
Overeenkomstig onze hypothese, moeten we daaruit concluderen,
dat de I Tjing hier getuigenis over zichzelf aflegt.
Als één of meerdere lijnen van een hexagram de waarde
van zes of negen hebben, betekent dit dat hierop speciaal de nadruk
wordt gelegd, en dat ze dus van belang zijn voor de interpretatie.
In mijn hexagram hebben de 'geestelijke krachten' de nadruk gelegd
op de negens van de lijnen op de tweede en de derde plaats. De
tekst luidt:
Negen op de tweede plaats betekent:
In de spijspot is voedsel.
Mijn kameraden zijn jaloers,
Maar ze kunnen mij niets doen.
Heil!
De I Tjing zegt dus van zichzelf: 'Ik bevat (geestelijk) voedsel. Aangezien het bezit van iets groots altijd afgunst wekt, maakt het koor van jaloersen deel uit van de schildering. De jaloersen willen de I Tjing beroven van zijn groot bezit, dat wil zeggen: ze trachten hem zijn betekenis te ontnemen, of zijn betekenis te vernietigen. Maar vijandschap kan hem niet schaden. De rijkdom van zijn betekenis is verzekerd; ofwel: hij is overtuigd van zijn positieve prestaties, die niemand te niet kan doen. De tekst vervolgt:
Negen op de derde plaats betekent:
Het handvat van de spijspot is veranderd.
Men wordt belemmerd in zijn handelingen.
Het vet van de fazant wordt niet gegeten.
Als eerst de regen maar valt, dan verdwijnt het berouw.
Eindelijk komt heil.
Het handvat - steel greep (in het Duits Griff) - is het deel
waarbij de spijspot kan worden aangevat of gegrepen (gegriffen).
Het betekent dus het begrip (Begriff), dat men van de I Tjing
heeft (de spijspot, ting). In de loop der tijden is dit begrip
klaarblijkelijk veranderd, zodat wij de I Tjing niet langer kunnen
begrijpen (begreifen). Daardoor 'wordt men belemmerd in zijn handelingen'.
Wij worden niet langer gesteund door de wijze raad en het diepe
inzicht van het orakel; daardoor vinden wij niet langer de weg
door het doolhof van het noodlot en door de duistere impulsen
van onze eigen natuur. Het vet van de fazant, het beste en rijkste
deel van een goede schotel, wordt niet langer gegeten. Doch wanneer
de dorstige aarde eindelijk weer regen ontvangt, dat wil zeggen
wanneer deze toestand van gebrek is overwonnen, dan verdwijnt
'berouw', dat wil zeggen de spijt over de verloren wijsheid, en
dan komt het lang verbeide heil.
Wilhelm tekent hierbij aan: 'Hier wordt een man getekend, die
zich in een tijd van hoge cultuur op een plaats bevindt, waar
hij door niemand wordt opgemerkt en gewaardeerd. Dat is voor zijn
werken een grote belemmering.'
De I Tjing beklaagt zich als het ware, dat zijn voortreffelijke
hoedanigheden niet worden erkend, en dus braak liggen. Hij troost
zichzelf met de hoop, dat hij nu op het punt staat grotere bekendheid
te verwerven.
Het antwoord, dat in deze beide op de voorgrond tredende lijnen
wordt gegeven op de vraag, die ik aan de I Tjing stelde, vereist
geen uitzonderlijk subtiele interpretatie, geen kunstgrepen, geen
buitengewone kennis; iedereen met een klein beetje gezond verstand
kan de betekenis van het antwoord begrijpen; het is het antwoord
van iemand, die zich van zijn gezag bewust is, doch wiens waarde
niet algemeen erkend wordt, zelfs niet in ruimere kring bekend
is.
Het antwoordende subject heeft een interessante mening over zichzelf:
het beschouwd zich als een gewijd vat, waarin offers aan de Goden
worden gebracht, rituele spijzen voor hun voeding.
Het ziet zichzelf als een religieus gebruiksvoorwerp dat ertoe
dient, de onbewuste elementen of krachten ('geestelijke krachten')
die als Goden zijn geprojecteerd, van geestelijk voedsel te voorzien
- met andere woorden: aan deze krachten de aandacht te besteden,
die ze nodig hebben om in het leven van het individu hun rol te
spelen. Dit is inderdaad de oorspronkelijke betekenis van het
woord religio - van religere: een zorgvuldig observeren en eerbiedigen
van het numineuze.
De methode van de I Tjing houdt inderdaad rekening met de verborgen
individuele hoedanigheden van dingen en mensen, alsook met 's
mensen onderbewuste persoonlijkheid. Ik heb de I Tjing geraadpleegd
zoals men een persoon raadpleegt, die men aan zijn vrienden wil
voorstellen: men vraagt hem of hem dit al dan niet aangenaam zal
zijn. Als antwoord vertelt de I Tjing mij van zijn religieuze
betekenis, van de omstandigheid dat hij op het ogenblik onbekend
is en verkeerd beoordeeld wordt, van zijn hoop weer een eervolle
plaats te zullen bekleden - dit laatste klaarblijkelijk met een
zijdelingse blik op mijn vooralsnog ongeschreven voorwoord, en
bovenal op de Engelse vertaling. Dit lijkt een volkomen begrijpelijke
reactie, zoals men ook van een menselijk wezen zou kunnen verwachten,
die zich in dezelfde situatie bevond.
Maar hoe kwam deze reactie tot stand? Doordat ik drie kleinen
muntjes in de lucht gooide en ze liet vallen, rollen en tot rust
komen, kruis of munt, zoals het toeval wilde. Dit zonderlinge
feit, dat er een zinvolle reactie te voorschijn komt uit een techniek,
die van het begin af aan loos schijnt te zijn, is de grote prestatie
van de I Tjing. Het voorbeeld, dat ik zojuist gaf, staat niet
alleen; zinvolle antwoorden zijn regel. Westerse sinologen en
eminente Chinese geleerden hebben mij verzekerd, dat de I Tjing
een verzameling is van in onbruik geraakte 'toverformules'. In
de loop van deze gedachtenwisselingen gaf mijn gesprekspartner
soms toe, dat hij het orakel had geraadpleegd door tussenkomst
van een waarzegger, gewoonlijk een Tauïstisch priester. Dit
zou natuurlijk 'alleen maar nonsens' kunnen zijn. Maar merkwaardigerwijze
kwam het het ontvangen antwoord blijkbaar opmerkelijk goed overeen
met de psychologische blinde vlek van de vrager.
Ik ben het met de Westerse mentaliteit eens, dat er talloze andere
antwoorden op mijn vraag mogelijk waren geweest, en ik wil zeker
niet beweren, dat een ander antwoord niet even veelzeggend had
kunnen zijn. Doch dit antwoord was het eerste en het enige, dat
ik ontving; wij weten niets van andere mogelijke antwoorden af.
Dit beviel me en het voldeed me. Het zou tactloos geweest zijn
dezelfde vraag een tweede keer te stellen, dus liet ik dat na:
'De meester spreekt slechts één keer'. Ik voel niets
voor de zwaarwichtige paedagogische benaderingspogingen, die met
alle geweld irrationele phenomenen in een vooropgezet rationeel
schema willen wringen. Dingen als dit antwoord moet men werkelijk
laten zoals ze waren, toen ze voor het eerst zichtbaar werden,
want alleen dan kunnen we weten wat de natuur doet, wanneer ze
aan zichzelf wordt overgelaten, ongestoord door de bemoeizucht
der mensen. Om het leven te bestuderen moet men niet naar lijken
gaan. Bovendien is een herhaling van het experiment onmogelijk,
om de eenvoudige reden, dat de oorspronkelijke situatie niet gereconstrueerd
kan worden. Daarom is er in elk geval alleen een eerste en ÈÈn
enkel antwoord.
Om op het hexagram zelf terug te komen. Er is niets vreemds in,
dat de andere, niet bewegelijke lijnen (in dit geval de 1ste,
4de, 5de en 6de) van een hexagram reliëf geven aan het thema,
dat door de bewegende lijnen (hier de 2e en de 3e) naar voren
wordt gebracht. De eerste lijn van het hexagram zegt:
Een spijspot met omgekeerde poten.
Bevorderlijk voor de verwijdering van de klonters.
Men neemt een concubine ter wille van haar zoon.
Geen blaam.
Een omgekeerde spijspot duidt aan, dat hij niet gebruikt wordt.
De I Tjing is dus als het ware een ongebruikte spijspot. Het omkeren
dient om de klonters te verwijderen, zoals de lijn zegt. Juist
zoals een man een concubine neemt als zijn vrouw hem geen zoon
schenkt, doet men een beroep op de I Tjing als men geen andere
uitweg ziet. Ondanks de quasi-legale positie van de concubine
in China, neemt ze in werkelijkheid een vrij inferieure plaats
in; zo is ook het magisch procédé van het orakel
een uitweg, die eigenlijk voor een hoger doel gebruikt zou moeten
worden. Geen blaam, hoewel het een exceptioneel geval is.
De tweede en de derde lijn werden reeds besproken.
De vierde lijn zegt:
De spijspot heeft zijn poten gebroken.
Het maal van de vorst wordt vermorst
En de gestalte wordt bevlekt.
Onheil!
Hier is de spijspot in gebruik genomen, maar blijkbaar op een zeer onhandige manier; dat wil zeggen, dat het orakel is misbruikt of verkeerd uitgelegd. Op deze manier gaat het goddelijke voedsel verloren, en men brengt schande over zichzelf. Legge vertaalt alsvolgt: 'Zijn persoon zal moeten blozen van schaamte.' Misbruik van een offervat als de ting (met andere woorden: de I Tjing) is een grote profanatie. De I Tjing staat hier blijkbaar op zijn eigen waardigheid als ritueel wijvat, en protesteert tegen een profaan gebruik ervan.
De vijfde lijn zegt:
De spijspot heeft gele handvatten, gouden draagringen.
Bevorderlijk is standvastigheid.
Men heeft blijkbaar een nieuw, correct begrip gekregen voor de I Tjing, dat wil zeggen dat deze een nieuw handvat (Begriff) heeft gekregen, waarbij het aangevat kan worden. Dit handvat is van grote waarde (van goud). En inderdaad is er een nieuwe uitgave in het Engels, waardoor het boek weer toegankelijker wordt voor de Westelijke wereld dan het vroeger was.
De zesde lijn zegt:
De spijspot heeft ringen van jade.
Groot heil!
Niets dat niet bevorderlijk zou zijn.
Jade onderscheidt zich door schoonheid en zijn zachte glans.
Als de draagringen van jade zijn, verhoogt zulks de schoonheid,
het aanzien en de waarheid van het hele voorwerp. De I Tjing betoont
zich hier niet alleen zeer voldaan, maar zelfs buitengewoon optimistisch.
Men kan slechts de verdere gebeurtenissen afwachten en intussen
tevreden zijn met de aangename conclusie, dat de I Tjing de nieuwe
uitgave goedkeurt.
Met dit voorbeeld heb ik zo objectief mogelijk aangetoond, hoe
het orakel in een bepaald geval te werk gaat. Natuurlijk verandert
het procédé enigszins al naar de wijze waarop de
vraag wordt gesteld. Wanneer iemand zich bijvoorbeeld in een gecompliceerde
situatie bevindt, zal hij in het orakel misschien zelf als spreker
verschijnen. Of wanneer de vraag over de verhouding met een andere
persoon gaat, zal deze laatste wellicht de spreker zijn. De identiteit
van de spreker hangt echter niet uitsluitend af van de wijze,
waarop de vraag is geformuleerd, aangezien onze relaties met onze
medemensen niet altijd door deze laatsten worden bepaald. Zeer
vaak hangen deze relaties vrijwel uitsluitend af van onze eigen
houdingen, al zijn wij ons hievan misschien volkomen onbewust.
Als wij ons niet bewust zijn van onze eigen rol in een verhouding,
wacht ons misschien een grote verrassing; geheel tegen onze verwachting
in zijn wij het zèlf, die in hoofdzaak verantwoordelijk
zijn voor de situatie, gelijk de tekst ons soms onmiskenbaar te
kennen geeft. Het kan ook voorkomen, dat wij een kwestie te ernstig
opnemen en er te veel gewicht aan hechten, terwijl het antwoord,
dat wij van de I Tjing krijgen, de aandacht vestigt op een ander
onverwacht aspect van de zaak.
Zulke voorbeelden zouden misschien een ogenblik de indruk kunnen
wekken, dat het orakel misleidend is. Maar men zegt, dat Confusius
overtuigd was slechts één keer een niet toepasselijk
antwoord te hebben gekregen, en wel het hexagram 22, de Bekoorlijkheid
- een bij uitstek esthetisch hexagram. Dit doet denken aan de
raad, die Socrates eens kreeg van zijn daemon - "Je zou meer
muziek moeten maken" - met het gevolg, dat Socrates fluit
begon te spelen. Waar het gaat om redelijkheid en opvoedkundige
houding tegenover het leven, wedijveren Confusius en Socrates
om de ereplaats; maar het lijkt niet waarschijnlijk, dat één
van hen beiden zich moeite gaf om 'zijn kinbaard behoorlijk te
maken', zoals de tweede lijn van dit hexagram adviseert. Ongelukkigerwijs
gaan redelijkheid en pedagogiek vaak mank aan een tekort aan charme
en gratie, en het orakel heeft dus misschien niet eens zo heel
ongelijk.
Om nog eens op ons hexagram terug te komen. Hoewel de I Tjing
dus niet alleen tevreden schijnt te zijn over de nieuwe uitgave,
maar zich zelfs zeer optimistisch betoont, zegt zulks nog niets
betreffende het effect van dit boek op het publiek, dat het bedoelt
te bereiken. Aangezien in ons hexagram twee Jang-lijnen voorkomen,
die de tendens hebben te veranderen, en wel de negens op de tweede
en de derde plaats, zijn we in de gelegenheid uit te vinden, welke
prognose de I Tjing voor zichzelf stelt. Volgens de oude traditie
hebben de lijnen, die door een zes of een negen worden aangeduid,
een zo grote innerlijke spanning, dat ze omslaan in hun tegendeel,
d.w.z. Jang in Jin en omgekeerd. Door deze verandering krijgen
wij in het onderhavige geval hexagram 35, Tjin, de Vooruitgang.
Het onderwerp van dit hexagram is iemand, die om zijn weg omhoog
alle mogelijke wisselingen van het fortuin ontmoet, en verkeert
in dezelfde situatie: hij komt op gelijk de zon en maakt zichzelf
bekend, maar wordt afgewezen en ontmoet geen verrouwen - hij is
'voortschrijdend, maar in droefheid'. Doch 'men verkrijgt groot
geluk van zijn stammoeder'.De psychologie kan ons helpen, deze
duistere passage te verklaren. In dromen en sprookjes vertegenwoordigt
de grootmoeder of stammoeder dikwijls het onbewuste, omdat dit
bij een man de vrouwelijke component van de psyche bevat. Al wordt
de I Tjing dan niet aanvaard door het onbewuste, het onbewuste
komt hem tenminste halverwege tegemoet, en de I Tjing is nauwer
verbonden met het onderbewustzijn dan met de rationele houding
van het bewustzijn. Waar het onderbewuste in dromen vaak door
een vrouwelijke figuur wordt gesymboliseerd, zou dit hier de verklaring
kunnen zijn. De vrouwelijke figuur zou ook de vertaalster kunnen
zijn, die aan het boek haar moederlijke zorg heeft gegeven, en
dit zou de I Tjing licht kunnen beschouwen als een 'groot geluk'.
Hij verwacht algemeen begrip, maar is bang voor verkeerd gebruik.
'Vooruitgang als een hamster.' Hij is echter indachtig aan de
vermaning: 'Laat winst en verlies niet aan je hart gaan.' Hij
houdt zich vrij van partijgeest en verlaat zich op niemand.
De I Tjing ziet dus zijn toekomst op de Amerikaanse boekenmarkt
rustig tegemoet, en laat er zich juist zo over uit als een denkend
mens dat zou doen ten aanzien van een zo bestreden werk. Deze
voorspelling is zo buitengewoon verstandig en getuigt van zulk
een gezond inzicht, dat men zich bezwaarlijk een passender antwoord
kan denken.
Dit alles geschiedde voor ik het voorafgaande had geschreven.
Toen ik op dit punt was aangekomen, wenste ik te weten, hoe de
I Tjing tegenover deze nieuwe situatie stond. De toestand was
anders geworden door hetgeen ik geschreven had, aangezien ik nu
zelf op het toneel was verschenen, en daarom verwachtte ik iets
te vernemen over mijn eigen werkzaamheid. Ik moet bekennen, dat
ik mij niet overmatig gelukkig had gevoeld bij het schrijven van
dit voorwoord. Met mijn gevoel van verantwoordelijkheid tegenover
de wetenschap ligt het niet in mijn lijn iets te beweren, ddat
ik niet kan bewijzen,althans als redelijk aanvaardbaar kan voorstellen.
Het is een verre van gemakkelijke taak, een verzameling 'toverformules'
te introduceren bij een critisch, modern publiek, met de vooropgezette
bedoeling ze daarvoor min of meer acceptabel te maken. Ik heb
dit op mij genomen omdat ik zelf van mening ben, dat er voor de
oude Chinese manier van denken meer te zeggen valt, dan zo oppervlakkig
lijkt. Doch ik vind het enigszins pijnlijk, dat ik beroep moet
doen op de welwillendheid en de verbeeldingskracht van de lezer,
daar ik hem moet leiden in een onbegrijpelijk eeuwenoud magisch
ritueel. Ongelukkigerwijs ben ik me maar al te zeer bewust van
de argumenten, die er tegen in te brengen zijn. Wij weten niet
eens zeker of het schip, dat ons over de onbekende zeeÎn
moet brengen, niet ergens een lek heeft opgelopen. Zou de oude
tekst niet verminkt kunnen zijn? Is de vertaling van Wilhelm wel
juist? Misleiden wij ons zelf niet bij onze verklaringen?
De I Tjing dringt in alle opzichten aan op zelfkennis. De methode,
waarop deze bereikt dient te worden, biedt de gelegenheid voor
allerlei misbruiken. Het is dus niets voor een lichtzinnige of
onrijpe geest; evenmin voor intellectualisten en rationalisten.
Het is alleen iets voor nadenkende, bespiegelende mensen, die
graag hun gedachten laten gaan over wat ze doen en over wat hun
overkomt - een voorliefde, die vooral niet verward dient te worden
met het ziekelijke gepieker van de hypochonder.
Zoals ik hierboven reeds heb uiteengezet, weet ik geen antwoord
op de talrijke problemen, die zich voordoen wanneer we het I Tjing
orakel in overeenstemming trachten te brengen met onze geijkte
wetenschappelijke canons. Het spreekt echter vanzelf, dat alles
wat naar occultisme zweemt, hier geheel buiten beschouwing blijft.
Mijn standpunt in deze dingen is pragmatisch, en het practische
nut daarvan is mij geleerd door de psychotherapie en de medische
psychologie. Waarschijnlijk is er geen ander gebied, waar we met
zoveel onbekende grootheden rekening dienen te houden, en nergens
anders raken we zó vertrouwd met de toepassing van methodes,
die effect sorteren, hoewel wij misschien lange tijd niet zullen
weten waaraan dat effect te danken is. Onverwachte genezingen
kunnen het gevolg zijn van onzekere therapieÎn, en onverwachte
mislukkingen komen voor bij algemeen als betrouwbaar bekend staande
methodes. Bij de exploratie van het onbewuste stoten wij op zeer
vreemde dingen, waar een rationalist zich met afschuw van afwendt,
om achteraf te beweren, dat hij niets gezien heeft. De irrationele
volheid van het leven heeft mij geleerd nooit iets uit te sluiten,
zelfs wanneer het indruis tegen al onze theorieÎn (die in
het beste geval toch maar een kort leven hebben) of niet direct
verklaard kan worden. Natuurlijk is daar iets verontrustends in:
men weet nooit, of het kompas de juiste richting wijst, of niet;
maar veiligheid, zekerheid en vrede leiden niet tot ontdekkingen.
Met deze Chinese manier van waarzeggen is het net hetzelfde. Het
is overduidelijk, dat de methode op zelfkennis gericht is, hoewel
ze door alle tijden heen evenzeer in dienst van het bijgeloof
is gesteld.
Het spreekt vanzelf, dat ik ten volle overtuigd ben van de waarde
van zelfkennis, maar heeft het enige zin daartoe op te wekken,
als de grootste wijzen door alle eeuwen heen de noodzakelijkheid
ervan gepredikt hebben zonder enig succes? Zelfs voor de meest
vooringenomene moet het wel duidelijk zijn, dat dit boek ÈÈn
lange vermaning is tot het zorgvuldig bestuderen van eigen karakter,
levenshouding, motieven. Daarom spreekt het boek mij aan en heb
ik erin toegestemd het voorwoord te schrijven.
Slechts eens tevoren heb ik mij over het probleem van de I Tjing
uitgelaten: dit was in een gedenkrede ter nagedachtenis van Richard
Wilhelm. Voor het overige heb ik een discrete stilte bewaard.
Het is allesbehalve gemakkelijk zich op de tast een weg te zoeken
en in te dringen in zulk een ver van ons afstaande en mysterieuze
mentaliteit, als die aan de I Tjing ten grondslag ligt. Grote
geesten als Confusius en Lau-tse kan men niet zo licht op zie
schuiven, althans niet wanneer men het gehalte der ideeÎn,
die ze vertegenwoordigen, naar waarde vermag te schatten; nog
minder kan men het feit over het hoofd zien, dat de I Tjing de
voornaamste bron van hun inspiatie de I Tjing was. Ik weet, dat
ik vroeger niet de moed gehad zou hebben mij zo positief uit te
laten ten aanzien van zulk een onzekere aangelegenheid. Ik kan
dit risico nu op mij nemen; ik ben de zeventig reeds gepasseerd,
en de steeds wisselende opinies der mensen maken niet veel indruk
meer op mij. De gedachten der oude meesters zijn van groter waarde
voor mij dan de philosophische vooroordelen van de Westelijke
geest.
Ik zou mijn lezers liever niet lastig vallen met deze persoonlijke
overwegingen; maar zoals gezegd is de eigen persoonlijkheid vaak
betrokken bij het antwoord van het orakel. Ik had trouwens bij
de formulering van mijn vraag het orakel zelf uitgenodigd, een
direct oordeel over mijn onderneming uit te spreken. Het antwoord
was hexagram nr 29: K'an, het Onpeilbare. Bijzondere nadruk wordt
gelegd op de derde plaats, daar deze lijn door een zes wordt aangeduid.
Deze lijn zegt:
Voorwaarts en achterwaarts, afgrond op afgrond.
In zulk een gevaar, blijf eerst stil staan en wacht,
Anders raak je in een gat in de afgrond.
Handel niet zo.
Vroeger zou ik onvoorwaardelijk de raadgeving 'Handel niet
zo" hebben opgevolgd, en geweigerd hebben mijn opinie over
de I Tjing ten beste te geven, en wel om de eenvoudige reden,
dat ik er geen had. Nu kan deze raadgeving echter als voorbeeld
dienen voor de manier waarop de I Tjing functioneert. Het is een
feit, dat wanneer men begint erover na te denken, de problemen
van de I Tjing 'afgrond op afgrond' vertegenwoordigen; er valt
niet aan te ontkomen, dat men 'eerst moet stilstaan en wachten',
temidden van de gevaren van eindeloze en critiekloze bespiegelingen;
anders zou men werkelijk de weg kwijt raken in de duisternis.Kan
men zich een onplezieriger geestestoestand denken dan het zweven
in de ijle lucht van onbewezen mogelijkheden, niet wetende of
wat men ziet waarheid of illusie is? Dit is de droomachtige sfeer
van de I Tjing, en het enige, waarop men zich kan verlaten, is
het eigen zo feilbare oordeel. Ik moet eerlijk bekennen, dat deze
lijn zeer treffend de gevoelens vertolkt, die mij bij het schrijven
van de voorafgaande passages bezielden. Even toepasselijk is het
geruststellend begin van dit hexagram - 'Als je oprecht bent,
heb je welslagen in je hart' - want dat betekent, dat ten slotte
niet het uiterlijk gevaar het belangrijkste is, maar dat het gaat
om de subjectieve situatie, dat wil zeggen, of men zelf gelooft
oprecht te zijn, of niet.
Het hexagram vergelijkt de dynamische actie in deze situatie met
het stromen van water, dat niet bevreesd is voor gevaarlijke plaatsen,
maar zich over rotsen stort en de gaten opvult, die het op zijn
weg ontmoet (K'an symboliseert ook het water). Dit is de manier
waarop 'de edele' handelt en de kunst van het onderwijzen beoefent.
K'an is ongetwijfeld een van de minst plezierige hexagrammen.
Het beschrijft een situatie waarin men ernstig gevaar schijnt
te lopen, in alle mogelijke vallen te geraken. Evenals men bij
de interpretatie van een droom met de uiterste nauwgezetheid de
droomtekst dient te volgen, moet men bij het raadplegen van het
orakel de vorm waarin de vraag werd gesteld voor ogen houden,
want dit stelt een definitieve limiet aan de interpretatie van
het antwoord. De eerste lijn van het hexagram duidt de aanwezigheid
van het gevaar aan: ' Men geraakt in de afgrond in een gat.' De
tweede lijn doet hetzelfde, en voegt er dan de raadgeving aan
toe: 'Men moet slechts kleine dingen trachten te bereiken'. Men
ziet, dat ik die raad reeds bij voorbaat in acht had genomen,
daar ik er mij in dit voorwoord toe heb beperkt te demonstreren,
hoe de I Tjing in de Chinese geesteswereld functioneert, en afzag
van een eerzuchtiger project: het schrijven van een psychologisch
commentaar op het gehele boek.
De vierde lijn zegt:
Een kruik wijn, een schaal rijst, aarden schotels,
Eenvoudig door het venster naar binnen gereikt.
Dat verdient volstrekt geen blaam.
Wilhelm geeft hierbij de volgende commentaar: 'Een ambtenaar
heeft gewoonlijk, vóór hij geïnstalleerd wordt,
bepaalde geschenken en aanbevelingen nodig als introductie. Hier
is alles tot het uiterste vereenvoudigd. De geschenken zijn armoedig,
er is niemand, die hem introduceert, hij stelt zichzelf voor;
toch hoeft men zich voor dit alles niet te schamen als men maar
de eerlijke bedoeling heeft, elkaar bij te staan in het gevaar.
Het schijnt dat ook het boek zelf in zekere zin door deze lijn
wordt gesymboliseerd.
De vijfde lijn zet het thema van de beperking voort. Als men de
natuur van water bestudeert, ziet men dat het een gat slechts
tot de rand vult, en dat verder stroomt. Het laat zich niet vasthouden:
De afgrond wordt niet tot overvol.
Hij wordt slechts gevuld tot aan de rand.
Doch als men, aangelokt door het gevaar en juist dóór
die onzekerheid, tegen zijn eigen overtuiging in de zaak zou willen
forceren en er zich toe zou zetten, uitvoerige commentaren te
schrijven of iets anders in die geest te ondernemen, zou men alleen
maar des te dioeper verward raken in de moeilijkheden die de toplijn
heel juist beschrijft als een situatie, waarin men aan alle kanten
gebonden en ingesloten is. De laatste lijn laat trouwens heel
vaak de consequenties zien, die men kan verwachten, wanneer men
de betekenis van het geheel niet ter harte neemt.
In ons hexagram hebben wij een zes op de derde plaats. De Jin-lijn
verandert door zijn steeds groter wordende spanning in een Jang-lijn,
en er ontstaat een nieuw hexagram, dat een nieuwe mogelijkheid
of tendens laat zien. Wij hebben nu nr 48: Tjing, de Waterput.
Dit beduidt echter niet langer gevaar, doch veeleer iets heilzaams:
Zo moedigt de edele het volk aan bij het werk
En vermaant hij het, elkaar te helpen.
Het beeld van het volk, dat elkaar onderling behulpzaam is, schijnt betrekking te hebben op het herstellen van de waterput, want deze is afgebrokkeld en vol met puin. Zelfs de dieren drinken er niet uit. Er leven vissen in, die men kan vangen, maar de waterput wordt niet gebruikt om eruit te drinken, dat wil zeggen voor menselijke behoeften. Deze beschrijving doet denken aan de omgekeerde en niet gebruikte Ting, die een nieuw handvat moet krijgen. Bovendien wordt deze waterput evenals de Ting gereinigd. Maar niemand drinkt eruit:
Dit is mijn harteleed,
Want men zou eruit kunnen putten.
Het gevaarlijke gat vol met water - of de afgrond - wees op de I Tjing, en dit is ook het geval met de waterput, maar deze laatste heeft een positieve betekenis: het bevat het water van het leven. Hij zou hersteld moeten worden, zodat men hem weer in gebruik kan nemen. Maar men heeft geen houvast (Begriff) en geen gereedschap om het water te putten; de kruik is gebroken en lekt. De Ting heeft nieuwe oren en draagringen nodig, waarbij men hem kan aanvatten, en zo moet ook de Tjing van binnen opnieuw met metselwerk worden bekleed, want hij bevat 'een heldere, koele bron, waaruit men kan drinken'. Men kan er water uit drinken, want hij is 'betrouwbaar'.
Het is duidelijk, dat in deze prognose weer de I Tjing zelf als
spreker het woord voert, zich voorstellende als een bron, als
levend water. Het vorige hexagram beschreef in details het gevaar,
dat iemand bedreigt die bij ongeluk in de put valt of die zich
in de afgrond bevindt. Hij moet zich er uit zien te werken, om
dan te ontdekken, dat het een oude, vervallen waterput is, die
- hoewel vol met puin - zeer wel weer kan worden gerepareerd,
zodat men het gebruiken kan.
Ik onderwierp twee vragen aan de methode van het toeval door middel
van het munten-orakel. De tweede vraag stelde ik pas nadat ik
mijn analyse van het antwoord op de eerste had geschreven. De
eerste vraag was als zodanig gericht tot de I Tjing; wat had het
boek te zeggen over mijn werkzaamheid in deze, dat wil zeggen
over de situatie, waarin ik de handelende persoon was, de situatie
die werd beschreven door het eerste hexagram, dat ik verkreeg?
Op de eerste vraag antwoordde de I Tjing door zichzelf te vergelijken
met een spijspot, een ritueel vat, dat nodig gerestaureerd moest
worden en door het publiek niet met onverdeelde instemming werd
ontvangen. Het antwoord op de tweede vraag was, dat ik in moeilijkheden
was geraakt, want de I Tjing was als een diep en gevaarlijk gat,
vol met water: men zou er licht in kunnen wegzakken. Het gat met
water bleek echter een oude waterput te zijn, die alleen maar
gerestaureerd behoefde te worden: dan zou men er weer een nuttig
gebruik van kunnen maken.
Deze vier hexagrammen kloppen over het algemeen wel, zowel wat
het thema (ritueel vat, gat, waterput) als ook wat de geestelijke
inhoud betreft, ze lijken zinvol. Indien een menselijk wezen zulke
antwoorden had gegeven, zou ik, als psychiater, hem gezond van
geest dienen te verklaren, althans op basis van het aanwezige
materiaal. Ik zou inderdaad niets ijlhoofdigs, idioots of schizophreens
in de vier antwoorden hebben kunnen ontdekken. De hoge ouderdom
van de I Tjing en zijn Chinese afkomst in aanmerking genomen,
kan ik zijn archaïsche, symbolische en bloemrijke taal niet
als abnormaal beschouwen. Verre van dat: ik zou deze hypothetische
persoon slechts kunnen gelukwensen met zijn verregaand begrip
van mijn onuitgesproken toestand van onzekerheid. Aan de andere
kan kan iedereen, die wat handig is en over een soepel vernuft
beschikt, de hele zaak wel zó draaien, dat het lijkt of
ik mijn eigen subjectieve inhouden in de symboliek van de hexagrammen
heb geprojecteerd. Zulk een critiek, hoe catastrophaal ook vanuit
het standpunt van het Westerse rationalisme bezien, doet aan de
functie van de I Tjing geen afbreuk. Integendeel, de Chinese wijze
zou glimlachend tegen mij zeggen: 'Ziet U niet, hoe nuttig de
I Tjing zich maakt, door Uw gedachten, die U zich tot dusverre
nog niet had gerealiseerd - in zijn diepzinnig symbolisme te projecteren?
U zou Uw voorwoord misschien hebben geschreven, zonder dat het
tot U was doorgedrongen, welk een lawine van misverstanden dit
zou hebben ontketend.'
Het Chinese standpunt bekommert zich niet om de houding, die men
aanneemt ten opzichte van de verrichtingen van het orakel. Wij
zijn het alleen maar, die niet weten hoe wij het hebben, omdat
wij telkens weer struikelen over onze vooroordelen, oftewel ons
causaliteitsbegrip. De oude Oosterse wijsheid vindt het van belang,
dat een denkend wezen zich zijn gedachten realiseert, maar de
manier waaròp hij dit doet, interesseert haar niet in het
minst. Hoe minder men nadenkt over de theorie van de I Tjing,
hoe gezonder men slaapt.
Het komt mij voor, dat op grond van dit voorbeeld een onbevooroordeeld
lezer zich althans enigszins een oordeel zal kunnen vormen van
de wijze, waarop de I Tjing werkt. Meer kan men van een eenvoudige
introductie niet verwachten. Wanneer ik door deze demonstratie
er in geslaagd ben de psychologische phenomenologie van de I Tjing
duidelijk te maken, heb ik mijn doel bereikt. Wat betreft de duizenden
vragen, onzekerheden en critische opmerkingen die dit merkwaardige
boek opwekken zal - daar kan ik niet nader op ingaan. De I Tjing
biedt zich niet aan met bewijzen en klare resultaten: het maakt
geen ophef van zichzelf en het is niet gemakkelijk te benaderen.
Als een deel van de natuur wacht het tot het ontdekt wordt. Het
leurt niet met feiten of macht, maar voor hen, die streven naar
zelfkennis, naar wijsheid - als er zoiets bestaat - is het wellicht
het juiste boek. Voor de één zal de geest, die het
doordringt, zo klaar zijn als de dag, voor een ander wazig als
de schemering, voor een derde duister als de nacht. Wie er niet
voor voelt, hoeft het niet te gebruiken; wie er iets op tegen
heeft, hoeft de waarheid ervan niet te erkennen. Laat het de wereld
ingaan ten bate van degenen, die in staat zijn de betekenis ervan
te begrijpen.
Zürich 1949, C.G. Jung.